Wettelijke basis
De vergoeding van de slachtoffers van een asbestgerelateerde ziekte is geregeld op basis van de programmawet van 27 december 2006, art. 113 tot en met 133 (BS 28 december 2006). Die wet voorziet de oprichting van het Asbestfonds. De uitvoering en de praktische modaliteiten zijn geregeld in het koninklijk besluit van 11 mei 2007 ter uitvoering van hoofdstuk VI, van titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor asbestslachtoffers (BS 29 mei 2007). De praktische werking van het Asbestfonds wordt gecoördineerd door het Federaal agentschap voor beroepsrisico’s (Fedris).
Slachtoffers
Personen (of hun rechthebbenden in geval van overlijden) kunnen aanspraak maken op een vergoeding van het Asbestfonds als ze getroffen worden door een asbestgerelateerde ziekte. Het kan gaan om mensen die beroepsmatig werden blootgesteld, maar ook anderen komen in aanmerking: buurtbewoners van de (voormalige) asbestverwerkende industrie, familieleden of anderen (‘milieuslachtoffers’). Tussen 2007 en 2023 erkende het Asbestfonds 4.614 asbestslachtoffers, waarvan 3.354 mesothelioom hadden.
Uit de rapporten van het Asbestfonds blijkt dat de meeste personen die vergoed worden, beroepsmatig in contact kwamen met asbest. Het gaat dan om werknemers uit bedrijven die ruwe asbest verwerkten, maar ook loodgieters, lassers, metaalarbeiders, bouwvakkers, arbeiders aan de scheepswerven of dokwerkers.
Toegankelijkheid
Een basisprincipe van het Asbestfonds is dat iedereen die getroffen wordt door een asbestgerelateerde aandoening, aanspraak kan maken op een vergoeding. Dat in tegenstelling tot de vergoeding voor beroepsziekten, die enkel toegankelijk is voor werknemers en bijvoorbeeld niet voor zelfstandigen of de zogenaamde milieuslachtoffers. Het Asbestfonds wordt gefinancierd door de staat en door de werkgevers, ongeacht de sector. De reden daarvoor is dat het niet makkelijk is om de asbestproblematiek te beperken tot een sector. Asbest werd immers niet alleen bij de verwerking van ruwe asbest gebruikt, maar ook in andere sectoren (bv. metaalverwerkende bedrijven, garages). De vergoeding voor de slachtoffers houdt meteen ook immuniteit in voor de werkgever: zodra het slachtoffer een beroep doet op het Asbestfonds, is elke rechtsvordering om de werkgever aansprakelijk te stellen, uitgesloten.
Die twee basiskarakteristieken van het vergoedingssysteem leiden nog steeds tot discussies in het maatschappelijk debat. Sommigen zijn immers van mening dat daardoor te makkelijk voorbij wordt gegaan aan het principe ‘de vervuiler betaalt’ en dat het bovendien moeilijk ligt om mensen het recht te ontnemen om een rechtsvordering in te stellen.
Aandoeningen
Het Asbestfonds keert een vergoeding uit aan slachtoffers die lijden aan asbestgerelateerde aandoeningen. De criteria om voor de aandoeningen in aanmerking te komen voor een vergoeding door het Asbestfonds, zijn dezelfde als deze die bepaald zijn voor de erkenning van die
aandoeningen als beroepsziekten.
Slachtoffers die geen beroep willen doen op het Asbestfonds maar wel een rechtsvordering willen instellen, kunnen dergelijke vordering instellen tot vijf jaar na de diagnosestelling.