Gemeenschappelijke interne dienst
Uitzondering op het basisprincipe
Elke werkgever is verplicht om te beschikken over een eigen interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, met ten minste één preventieadviseur (Welzijnswet, art. 33). In specifieke gevallen is het echter mogelijk om daarvan af te wijken door een gemeenschappelijke interne dienst op te richten.
De bepalingen betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst zijn opgenomen in de codex, Boek II Organisatorische structuren en sociaal overleg, Titel 2 De gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.
Aangezien het hier gaat om een uitzondering op een belangrijk basisprincipe inzake welzijn op het werk, mag deze regeling alleen worden gebruikt als ze een duidelijke meerwaarde heeft voor het preventiebeleid van de betrokken werkgevers en voor de bevordering van het welzijn op het werk van hun werknemers (codex, art. II.2-2, § 1).
Waarom oprichten?
Een gezamenlijke interne dienst is vooral nuttig
- voor kleine organisaties: zo kunnen zij gemakkelijker worden bijgestaan door een preventieadviseur
- voor bedrijven die tot dezelfde groep behoren of nauw samenwerken (bv. lokale overheden met scholen of intercommunale verenigingen)
- voor werkgevers die hun preventiebeleid willen versterken door hun expertise te bundelen
Niet altijd mogelijk
In sommige gevallen is het niet mogelijk om een gemeenschappelijke interne dienst op te richten. Dat is bijvoorbeeld het geval als meerdere juridische entiteiten samen één technische bedrijfseenheid vormen. Die technische bedrijfseenheid moet dan beschikken over één interne dienst (Welzijnswet, art. 35, §4 en codex, art. II.2-3).
Niet altijd meerdere werkgevers
In de publieke sector is het zo dat één werkgever in uitzonderlijke gevallen meerdere interne diensten moet oprichten (bv. een gemeente die ook een gemeenteschool heeft). In dat geval kan één werkgever een gemeenschappelijke interne dienst oprichten, terwijl daar normaal ten minste twee werkgevers voor nodig zijn (Welzijnswet, art. 38 en codex, art. II.2-2, §4),