Wat is het beroepsgeheim?
Het beroepsgeheim impliceert een strikt verbod om de geheimen die aan een welbepaalde categorie personen werden toevertrouwd uit hoofde van hun staat of hoedanigheid, bekend te maken. Art. 458 Strafwetboek regelt het beroepsgeheim, bepaalt de mogelijke uitzonderingen erop en voorziet een gevangenisstraf en geldboete bij miskenning ervan.
Het beroepsgeheim is geen regel. Integendeel, het is een uitzondering. Het geldt dan ook enkel voor degene aan wie de wet uitdrukkelijk deze verplichting oplegt. Zonder specifieke wet is er dus geen toepassing van de Strafwet en dus geen beroepsgeheim.
Dit vormt een logisch gevolg van het basisrecht dat bepaalt dat niemand gestraft kan worden voor een handeling die niet in een wettekst is opgenomen, en waarbij die wettekst ook de straf bepaalt. Iedereen in onze rechtstaat moet immers met zekerheid kunnen weten of zijn gedrag al dan niet toegelaten is door de wet en welk risico op straf hij loopt bij een inbreuk erop. Dat wordt het legaliteitsbeginsel genoemd.
Is de preventieadviseur gehouden tot een beroepsgeheim?
De Welzijnswet legt het beroepsgeheim enkel op aan de preventieadviseur psychosociale risico’s en de vertrouwenspersoon (
wet welzijn, art. 32quinquiesdecies)
. De interne of externe preventieadviseur is dus niet gebonden door het beroepsgeheim. De preventieadviseur-arbeidsarts is daarentegen wél gebonden door het beroepsgeheim, zij het dat dit een medisch beroepsgeheim is dat voortvloeit uit zijn hoedanigheid als arts.
Verschil tussen beroepsgeheim, discretie en vertrouwelijkheidsverplichting
Dat er voor de preventieadviseur geen beroepsgeheim in de zin van de strafwet bestaat, betekent evenwel niet dat hij de informatie die hij bij de uitvoering van zijn opdracht krijgt, zomaar mag delen met derden.
De preventieadviseur van een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk heeft steeds een arbeidsovereenkomst met de werkgever. De preventieadviseur die verbonden is aan een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, heeft een arbeidsovereenkomst met deze laatste.
Arbeidsovereenkomstenwet
De Arbeidsovereenkomstenwet
verbiedt de werknemer tijdens de duur en na afloop van de arbeidsovereenkomst fabrieksgeheimen, zakengeheimen, maar ook geheimen in verband met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden waarvan hij kennis krijgt tijdens de uitvoering van het werk, bekend te maken, mee te delen, te gebruiken of openbaar te maken (
wet arbeidsovereenkomsten, art. 17,3°).
Fabrieksgeheimen
Fabrieksgeheimen bevatten informatie van technische aard over het productieproces. Denk aan fabricageprocedés, prototypes of recepten van voedingswaren. Het is niet ondenkbaar dat de preventieadviseur hiervan kennis krijgt in het kader van een risicoanalyse. Vermeldenswaard is dat de mededeling van fabrieksgeheimen, net zoals een inbreuk op het beroepsgeheim, strafbaar is (art. 309 Strafwetboek). Om hiervoor strafbaar te zijn, moet de dader wel opzettelijk en kwaadwillig gehandeld hebben. Dat is niet zo voor inbreuken op het beroepsgeheim. Daar volstaat onachtzaamheid.
Zakengeheimen
Commerciële informatie en zakelijke knowhow die de werkgever een concurrentievoordeel verschaffen, behoren tot de zakengeheimen. Voorbeelden daarvan zijn klantenlijsten en het prijsbeleid, maar ook reorganisatie-, herstructurerings- of uitbreidingsplannen. Dat soort informatie komt mogelijk ter kennis van de preventieadviseur. Denk maar aan de plannen voor een nieuwe site, de opstart van een nieuw productieproces of de geplande uitbreiding van de activiteit die tot nieuwe risico’s leidt.
Persoonlijke en vertrouwelijke informatie
De ruimste categorie is ongetwijfeld deze van de persoonlijke en vertrouwelijke informatie. Deze omvat immers alle vertrouwelijke informatie waarvan de werknemer kennis kan nemen in de uitoefening van zijn beroepsarbeid. De informatie kan betrekking hebben op de werkgever, werknemers of het cliënteel, zoals informatie omtrent de gezondheid of het privéleven van een werknemer. Het is vrij evident dat de preventieadviseur door zijn functie heel wat kennis van dien aard verwerft.
Te goeder trouw
Daarnaast blijft ook de algemene verplichting om overeenkomsten te goeder trouw uit te voeren, en dus loyaal te zijn aan de werkgever, van belang (art. 5.71 Burgerlijke Wetboek). De algemene discretieplicht die hieruit voortvloeit, is ruimer dan het toepassingsgebied van art. 17,3° Arbeidsovereenkomstenwet. Dit betekent dat discretie ook geboden is met betrekking tot gegevens die niet strikt onder de definitie van de Arbeidsovereenkomstenwet vallen.
Vertrouwelijkheids- en/of discretiebeding in de arbeidsovereenkomst
De specifieke en globale discretieverplichting uit respectievelijk de Arbeidsovereenkomstenwet en het Burgerlijk Wetboek kan verder gespecifieerd worden in vertrouwelijkheids- en/of discretiebeding in de arbeidsovereenkomst. Een verzwaring van de wettelijke verplichtingen is evenwel nietig.
[1]
Juridisch staartje
Inbreuken op art. 17.3 Arbeidsovereenkomstenwet, art. 5.71 Burgerlijk Wetboek en/of de specifieke confidentialiteitsbedingen leiden, met uitzondering van de fabrieksgeheimen, niet tot een geldboete en/of gevangenisstraf, maar kunnen evengoed een juridisch staartje krijgen. Denk hierbij aan een vordering tot schadevergoeding, tuchtsanctie of ontslag om dringende reden.
Waarom bestaat er een beroepsgeheim voor de preventieadviseur psychosociale aspecten en vertrouwenspersoon?
De finaliteit van de Welzijnswet biedt het antwoord. Het zwaartepunt van de Welzijnswet ligt bij preventie, eerder dan bij repressie. Interne procedures gericht op verzoening en pragmatisch constructivisme primeren op externe procedures, waarin sanctie en repressie centraal staan. Het beroepsgeheim ontleent zijn bestaansrecht dus aan de bescherming van het systeem van preventie an sich. Niet alleen de rechtstreeks betrokkenen, maar ook de maatschappij in haar geheel heeft er belang bij dat psychosociale risico’s snel, accuraat en liefst preventief worden aangepakt.
Preventieadviseur psychosociale aspecten
De Welzijnswet bedeelt de preventieadviseur psychosociale aspecten een drieledige taak toe: analyse van risico’s, verslaggeving en het voorstellen van maatregelen. Zijn hoedanigheid is deze van deskundige, niet deze van inquisiteur. In zijn onderzoek zoekt hij niet naar strafbare feiten, noch voert hij een tuchtonderzoek. De maatregelen die hij voorstelt, zijn evenmin tucht- of strafsancties. Dat laatste komt immers enkel respectievelijk de werkgever of de strafrechter toe.
Vertrouwenspersoon
Hetzelfde geldt, weliswaar in mindere mate, voor de
vertrouwenspersoon. Deze is het eerste aanspreekpunt in een onderneming als het op (inter)menselijk vlak niet helemaal loopt zoals het moet. De vertrouwenspersoon biedt een luisterend oor, maar probeert ook te bemiddelen en te verzoenen. Hij of zij vormt een belangrijke pijler in de interne informele psychosociale interventie.
Openheid en transparantie
Verzoening en constructivisme vereisen evenwel openheid en transparantie, niet in het minst van hen die menen getroffen te zijn door een psychosociaal risico, maar ook van hen die rechtstreeks of zijdelings (als getuige) betrokken zijn. De interne procedure is een doodgeboren kind als zij die hun nek uitsteken en een verklaring afleggen, niet absoluut zeker zijn dat hun identiteit en hun verklaringen geheim blijven. Zeker ten aanzien van een mogelijke dader van grensoverschrijdend gedrag, maar ook ten aanzien van de werkgever. Vergeldingsdrang is des mensen, ook op de werkvloer. Zelfs als het zover niet komt, is bekendmaking van per definitie persoonlijke, emotioneel gekleurde informatie schadelijk voor de arbeidsverhoudingen. Als niemand durft te praten uit vrees zijn of haar gegevens in de openbaarheid te zien belanden, wat is dan de waarde van de risicoanalyse? En bij uitbreiding: van het verslag en de voorgestelde maatregelen?
Verplichting en noodzakelijk werkmiddel
Geheimhouding is dus niet enkel een verplichting (art. 32quinquiesdecies Welzijnswet) van de preventieadviseur psychosociale aspecten en de vertrouwenspersoon, maar ook een noodzakelijk werkmiddel om een juiste analyse te kunnen maken en degelijke maatregelen voor te stellen voor de PAPS en een mogelijke verzoening of bemiddeling tot een succes te maken voor de vertrouwenspersoon.
Welke informatie is geheim?
Alle geheimen die aan de vertrouwenspersoon of preventieadviseur psychosociale aspecten worden toevertrouwd uit hoofde van de functie die zij uitoefenen, vallen onder de geheimhoudingsverplichting. Of deze informatie ‘banaal’ is of niet, is niet relevant: alleen de perceptie van de werknemer hierbij is doorslaggevend.
[2]Er is geen afspraak, speciale vraag, moment, plaats of formele procedure nodig om het beroepsgeheim te activeren. Het beroepsgeheim is inherent aan de functie. Als het niet absoluut zeker is dat de mededeling niet gebeurt omwille van de functie, blijft het beroepsgeheim gelden, ook aan de koffiemachine. Het is dan ook een goede praktijk om zich telkens de volgende vraag te stellen: waarom zou deze mededeling niet onder mijn beroepsgeheim vallen?
De beroepsgeheimparadox
Het lijkt op het eerste zicht vreemd, maar een absoluut beroepsgeheim van de preventieadviseur psychosociale aspecten (PAPS) leidt tot hetzelfde resultaat als de afwezigheid ervan. De garantie op geheimhouding zorgt voor een vertrouwelijk klimaat waarin mededelingen van zaken gebeuren die anders onuitgesproken zouden blijven. Als de PAPS vervolgens niets mag doen met deze gegevens, behalve het geheim bewaren, krijgt de functie van de PAPS eerder iets van een biechtvader dan van een actieve actor in de aanpak van psychosociaal welzijn. Uitzonderingen op het beroepsgeheim zijn dus noodzakelijk om de PAPS toe te laten scheefgegroeide relaties vlot te trekken of herhaling van sommige situaties te helpen voorkomen. De PAPS moet ongestraft bepaalde gegevens kunnen delen met sommige actoren. Hoe informeler de procedure en dus hoe groter het streven naar verzoening, hoe meer gegevens er gedeeld kunnen worden. De wetgever bepaalt concreet hoe, wie en wat. Hieronder gaan we in op de belangrijkste situaties.
Gedeeld beroepsgeheim
Tussen de PAPS en de vertrouwenspersoon
Tijdens een informele psychosociale interventie mogen de vertrouwenspersoon en de PAPS alle informatie delen die naar hun mening pertinent is voor het goede verloop van deze interventie. Zij mogen de informatie zowel onderling delen als met de personen die deelnemen aan de interventie. Dat is vrij logisch. Om te kunnen verzoenen of bemiddelen, moet er informatie gedeeld worden. Anders heeft dit geen enkele zin. Zij beschikken hierbij over een grote beoordelingsmarge (wet welzijn, art. 32quinquiesdecies, 11°).
Als een informeel verzoek, waarin de vertrouwenspersoon is tussengekomen, wordt gevolgd door een formeel verzoek bij de PAPS, dan deelt deze laatste zijn advies mee aan de vertrouwenspersoon (wet welzijn, art. 32quinquiesdecies, 2°).
Voor het overige mogen de vertrouwenspersoon en de PAPS onderling alle informatie uitwisselen die nodig is voor het vervullen van hun opdracht (wet welzijn, art. 32quinquiesdecies, 7° en codex, art. I.3-63).
De kerngedachte bij de informatiedeling is steeds het belang van de verzoeker.
Met de arbeidsarts
Ook met de arbeidsarts is informatie-uitwisseling dikwijls nodig. De vertrouwenspersoon en PAPS mogen dan ook alle informatie meedelen die noodzakelijk is om geschikte maatregelen te kunnen nemen voor de werknemer die meent schade te ondervinden ten gevolge van psychosociale risico’s. De werknemer moet hiermee wel schriftelijk instemmen (wet welzijn, art. 32quinquiesdecies, 6°).
Met de preventieadviseur
Jaarlijks deelt de vertrouwenspersoon aan de PAPS de gegevens mee van de door hem behandelde incidenten die zich bij herhaling voordoen (codex, art. I.3-64). De PAPS deelt op zijn beurt deze gegevens en ook de gegevens met betrekking tot zijn eigen informele psychosociale interventies die zich bij herhaling voordoen, in geanonimiseerde vorm met de preventieadviseur (codex, art. I.3-6). Daarnaast delen beiden aan de preventieadviseur ook jaarlijks de geanonimiseerde gegevens mee die nodig zijn voor het opstellen van het
jaarverslag (interventies, incidenten, aantal verzoeken tot specifieke RA) (codex, art. I.3-65).
De PAPS verbonden aan de externe dienst bezorgt aan de interne preventieadviseur ook de voorstellen van preventiemaatregelen die betrekking hebben op de specifieke arbeidssituatie, en de voorstellen die herhaling moeten voorkomen in andere arbeidssituaties (wet welzijn, art. 32quinquiesdecies, 2°,d)
De noodtoestand
Wanneer de PAPS of vertrouwenspersoon kennis krijgt van feiten die wijzen op een ernstig en dreigend gevaar voor de fysieke en psychische integriteit van een bepaalde persoon of personen, kunnen zij deze gegevens delen met degene die het beste hulp kan bieden. Dat kan een leidinggevende, de arbeidsarts of een hulpverlener zijn. Het bieden van hulp geniet de voorkeur boven een melding aan de procureur, dat pas als laatste redmiddel gezien wordt.
Ter beschikking houden van het individueel dossier
De PAPS moet zijn individueel dossier met onder meer de verklaringen van de personen die hij hoorde, ter beschikking houden van de sociaal inspecteurs. Er is hiervoor geen toestemming nodig van de gehoorde personen. De inspecteur heeft geen inzage in persoonlijke notities en mag de verklaringen niet doorgeven aan het Openbaar Ministerie.
Dat betekent niet dat het Openbaar Ministerie geen inzage kan krijgen in het individueel dossier. De PAPS kan dit evenwel enkel delen mits schriftelijke toestemming van die personen (wet welzijn, art. 32quinquiesdecies, 4° en 5° en codex, art. I.3-33).
Dat onderscheid is te verklaren door het fundamenteel verschillend doel van de inspectie en het Openbaar Ministerie. De inspectie controleert de onpartijdigheid en objectiviteit van de PAPS bij de uitvoering van zijn taak en evalueert de door de PAPS voorgestelde maatregelen.
[3] De arbeidsauditeur zoekt naar strafbare feiten, die mogelijk in de strafprocedure aan een rechter moeten worden voorgelegd.
Voor de vertrouwenspersoon bepaalt de Welzijnswet niet dat er een individueel dossier moet worden bijgehouden, zodat de verplichting tot het ter beschikking houden dan ook niet geldt voor de vertrouwenspersoon.
Oproeping als getuige
Wat dan met het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) voor degene die met het oog op de waarheidsvinding meent kennis te moeten nemen van de verklaringen, zonder dat de gehoorde personen toestemming geven om ze over te maken?
In dat geval heeft de rechter de delicate taak een afweging te maken tussen een basisverplichting uit de Belgische rechtsorde (het beroepsgeheim) en de bescherming van een Europees grondrecht (het recht op een eerlijk proces met daarin vervat het recht op tegenspraak).
In een strafprocedure kan de rechter de PAPS oproepen als getuige en hem zo via de uitzondering bepaald in art. 458 Sw. de mogelijkheid geven om vertrouwelijke gegevens vrij te geven (mondeling of schriftelijk). Voor een oproeping door de politie geldt deze uitzondering niet. De PAPS beslist in beginsel zelf of hij wel of niet spreekt en/of documenten deelt.
[4]Enige correctie hierop is het verbod om het beroepsgeheim te gebruiken om het af te wenden van de maatschappelijke noodzaak waarin het zijn verantwoording vindt.
[5]Hierboven lichtten we al toe waarin deze verantwoording schuilt: inhoud geven aan de functie van de PAPS, scheppen van vertrouwen bij slachtoffers van een psychosociaal risico en verhogen van de slaagkansen van de interne (preventie)procedure. Is er volgens de rechter sprake van dergelijke afwending, dan geldt wel een spreekplicht op straffe van een geldboete.
[6]Inbeslagname
Het individueel dossier van de PAPS en vertrouwenspersoon kan in het kader van een strafonderzoek dat wordt gevoerd, ook in beslag worden genomen door de onderzoeksrechter, gezien deze de waarheid zowel à charge als à décharge moet onderzoeken. Hij kan daarbij evenwel het beroepsgeheim niet zomaar overboord gooien. Doorgaans wordt het dossier dan ook meteen bij inbeslagname verzegeld. Op die manier wordt het dossier ontoegankelijk, maar dreigt het ook niet verloren te raken of te verdwijnen.
Het is dan aan de raadkamer of kamer van inbeschuldigingstelling om in een later stadium het verloop van het onderzoek en dus ook de inbeslagname te controleren. Als bij die controle het verzegelde dossier niet uit het dossier wordt verwijderd of de ontzegeling wordt bevolen, dan is het uiteindelijk aan de correctionele rechtbank om te bepalen of er al dan niet inzage mag van genomen worden.
In burgerlijke zaken, waar dus enkel het bekomen van schadevergoeding en geen bestraffing aan de orde is, vindt een gelijkaardige regeling toepassing. Elke partij die meent dat de waarheidsvinding kennisname van een bepaald document noodzaakt, kan aan de rechter vragen de PAPS te dwingen om dit document door te geven. Hij kan het verzoek niet zomaar afwijzen om de enkele reden dat de documenten onder het beroepsgeheim vallen,
[7] maar moet ook hier telkens een afweging maken.
De toestemming van de gehoorde persoon vormt geen vereiste voor voorlegging, maar leidt anderzijds niet tot een mededelingsverplichting.
Als hij meent dat de stukken mogelijk van belang zouden kunnen zijn voor de waarheidsvinding en het waarborgen van het recht op tegenspraak, kan hij zich deze documenten laten bezorgen. Na kennisname hiervan oordeelt hij over de noodzaak om ook de partijen in het geding kennis te laten nemen. Hij beslist daarbij autonoom over anonimisering of weglating van informatie om zo de rechten van de oorspronkelijke verzoeker en de gehoorde personen te beschermen. Hij kan ook steeds bepalen dat het beroepsgeheim een wettige reden is om de stukken niet te delen.
[6]
Besluit
Het beroepsgeheim heeft wat angels, maar de voorzichtige PAPS en vertrouwenspersoon laten zich niet snel ontmoedigen. Zij moeten niet meteen vrezen voor huiszoekingen en inbeslagnames. Het loopt in de praktijk zelden zo’n vaart als in de zaak De Pauw. En ook daar belandden de vertrouwelijke gegevens niet op straat. De dagelijkse druk van de werkgever en/of collega’s om loslippiger te zijn dan de wet toestaat, is dan weer een ander paar mouwen. De praktijk dwingt zoals zo vaak tot evenwichtskunst. Het vertrouwen in de interventie dient daarbij als onwrikbaar baken.
[1] Arbrb. Luik 2 september 2010,
JTT 2011, afl. 1091, 109
[2] Vgl. Cass. 14 juni 1965,
Pass. 1965, I, 1102
[3] Memorie van toelichting bij Wet van 28 februari 2014
Parl. St. Kamer 2013-2014, DOC 53-3101/001, p. 60 en 61
[4] Cf. artsen: Cass. 29 oktober 1991,
Arr.Cass. 1991-92, nr. 117
[5] Cass. 18 juni 1992,
RW 1992-93, 616 [7] Cass. 19 december 1994,
R.W. 1995-96, nr. 35, 27 april 1996, 1207
[8] GwH 23 januari 2019, nr. 6685)