KB basisnormen: de voorschriften van bijlage 6 (derde deel)

Het Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, verscheen in het Staatsblad van 15 juli 2009. Hier komen de voorschriften inzake de evacuatie van de gebruikers en de veiligheid van de hulpploegen aan bod.

Evacuatie van de gebruikers

Het aantal nooduitgangen en de breedte ervan wordt bepaald op basis van de raming van het aantal gebruikers van elk lokaal of compartiment. Voor lokalen waar slechts sporadisch een beperkt aantal personen aanwezig is (max. 50 gebruikers) volstaat één enkele uitgang. Voor de meeste lokalen zijn er echter twee of meer uitgangen vereist. Vanaf 500 gebruikers, zijn drie of meer uitgangen noodzakelijk. De nooduitgangen moeten toegang geven tot een plaats die zich buiten het compartiment bevindt waar de brand woedt en van waaruit men het gebouw kan verlaten zonder dat men door het compartiment moet dat door de brand wordt getroffen. De maximale loopafstand hangt af van het feit of er al of niet een sprinklerinstallatie aanwezig is. De loopafstand tot een gemeenschappelijke ruimte mag niet meer dan 30 meter bedragen en die tot een uitgang niet meer dan 60 meter (of respectievelijk 45 en 90 meter indien er een sprinklerinstallatie is). De uitgangen en ontruimingswegen moeten aangeduid zijn met een goed waarneembare en herkenbare signalisatie en uitgerust zijn met een veiligheidsverlichting. In het Verslag aan de Koning wordt een berekeningswijze aangegeven van het theoretische aantal gebruikers in functie van de oppervlakte en de ligging van de verschillende uitgangen.

Alarm en melding

Alle gebruikers moeten op de hoogte worden gebracht wanneer er brand is, zodat ze het gebouw tijdig kunnen ontruimen. In een gebouw met een oppervlakte niet groter dan 500 m² moet de installatie aangepast zijn aan de oppervlakte, de uitgevoerde activiteit, de omgeving – inzonderheid wat de geluidshinder betreft – en het aantal gebruikers. De gebruikers moeten de hulpdiensten kunnen waarschuwen en de brandweer moet in contact kunnen treden met een verantwoordelijke.

Bereikbaarheid en toegankelijkheid van de gebouwen

De veiligheid van de brandweer hangt af van de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de gebouwen en van de bluswatervoorziening. Voor de bereikbaarheid zijn vooral het aantal en de ligging van de opstelplaatsen voor de voertuigen van de hulpdiensten belangrijk. Dit wordt bepaald in akkoord met de bevoegde brandweer. Daarbij wordt rekening gehouden met een aantal factoren (zie kader).

Factoren die in aanmerking moeten worden genomen om de opstelzones te bepalen:

- de afstand van de brandweertoegang tot een opstelplaats moet beperkt zijn (maximale afstand van de toegangen en van een hydrant van de primaire bluswatervoorziening);
- ten minste de helft van de buitenwanden van gebouwen met een totale oppervlakte gelijk aan of groter dan 2500 m² moet bereikbaar zijn;
- voor gebouwen met een oppervlakte gelijk aan of groter dan 5000 m² moeten alle buitenwanden bereikbaar zijn en mogen de toegangswegen daartoe niet doodlopend zijn;
- het opgestelde voertuig mag door de brand geen schade kunnen oplopen.

Dankzij een "verbeterde bereikbaarheid" kan de oppervlakte van sommige compartimenten worden verhoogd. De bereikbaarheid wordt als "verbeterd" beschouwd indien twee voorwaarden worden nageleefd:
- het terrein is toegankelijk via twee onafhankelijke ingangen die met elkaar worden verbonden door een toegangsweg;
- minstens de helft van de wanden van het compartiment zijn buitenwanden die bereikbaar zijn voor de brandweer.

Blusmiddelen

De blusmiddelen (bijvoorbeeld de hoeveelheid en de plaats van de draagbare en mobiele brandblusapparaten) worden bepaald in overleg met de brandweer. Er kunnen ook specifieke blusmiddelen vereist zijn.

Bluswatervoorziening

De brandweer moet kunnen beschikken over een primaire bluswatervoorziening, die snel kan worden gebruikt en zich in de onmiddellijke nabijheid van het industriegebouw bevindt. Deze primaire bluswatervoorziening (openbaar leidingnet met ondergrondse en bovengrondse hydranten) kan worden aangevuld met een secundaire (bijvoorbeeld een waterreservoir of een grotere waterleiding op enkele honderden meter) en eventueel een tertiaire bluswatervoorziening (bijvoorbeeld een kanaal op enkele kilometer).

Monodisciplinaire interventieplannen

Op verzoek van de brandweer dient de exploitant de nodige informatie ter beschikking te stellen voor de opmaak van een interventieplan.

 

: PreventActua 17/2009