Geweld op het werk

[Geweld op het werk: strategieën om ermee om te gaan]

In opdracht van de toenmalige minister van tewerkstelling en arbeid, mevr. Miet Smet, werd aan het Limburgs Universitair Centrum onderzoek gedaan naar de aard van het geweld dat op het werk voorvalt en naar de strategieën die de slachtoffers gebruiken om het geweld te stoppen of om de geweldsituatie hanteerbaar te maken. De voornaamste resultaten.


 
 
300 verhalen

Welke vormen van geweld vallen op het werk voor? Hoe reageren de slachtoffers op dit geweld? Om deze vragen te beantwoorden werd er via verscheidene kanalen (vaktijdschriften, vertrouwenspersonen, ongewenste intimiteiten-lijn, bijscholingen, ...) gezocht naar mensen die op de één of andere manier betrokken waren bij geweld, ongewenste intimiteiten of pesterijen op het werk. In het totaal werden zo'n 300 verhalen verzameld, zowel onder de vorm van een schriftelijk verslag van de betrokkene als via interviews. Bij het verzamelen van de verhalen werd niet alleen aandacht besteed aan wat de mensen precies hadden meegemaakt, maar ook aan alles wat zij deden om de geweldsituatie leefbaar te maken en/of om het geweld te doen stoppen.

De klachten

Mensen noemen allerlei handelingen wanneer hen gevraagd wordt naar hun ervaringen met ‘geweld, ongewenste intimiteiten en pesterijen op het werk’.

Zo wordt er melding gemaakt van (bedreigingen met) fysiek geweld, bijvoorbeeld bij de arm door het kantoor gesleurd worden. Fysiek geweld op het werk is meestal éénma-lig en vrij ernstig. De gewelddadige uitbarsting wordt in regel voorafgegaan door een periode van spanningsopbouw, niet zelden resulterend uit gevoelens van frustratie bij de dader.

Seksueel geweld op het werk is van een andere orde. Het kan gaan om onge-wenste seksuele handelingen zonder fysiek contact (boodschappen over het lichaam van de betrokkene, vragen en roddels over het seksueel leven van een collega, het ongevraagd uit de doeken doen van het eigen seksuele leven). Een stapje verder gaan exhibitionistisch gedrag (naaktfoto’s van zichzelf laten zien) of voyeuristisch gedrag (de wc-deur opentrekken). Ernstiger worden de ongewenste intimiteiten wanneer er wel sprake is van fysiek contact tussen dader en slachtoffer. Het kan hier gaan om allerlei zaken: van de dubbelzinnige hand op de schouder, of knie tegen knie, tot regelrechte vormen van seksueel geweld waarbij seksueel contact wordt afgedwongen, zoals bij verkrachting. In tegenstelling tot fysiek geweld op het werk, is het seksueel geweld in regel niet éénmalig. Het maakt meestal deel uit van een destructief relationeel patroon.

Psychisch geweld op het werk ten slotte kan ook allerlei vormen aannemen. De baas die roepend en tierend door het gebouw loopt, etaleert zijn positionele macht op een manier die voor zijn ondergeschikten zeer intimiderend kan zijn. Het misbruiken van macht gaat een stapje verder. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om dreiging met ontslag, uitlokking van overtredingen, schending van de privacy en om vormen van tegenwerking, die iemand beletten zijn of haar werk naar behoren uit te voeren. Een derde categorie van psychisch geweld is de negatieve communicatie, gaande van verbale vernederingen over misleiding via slechte adviezen of achtergehouden informatie tot het ventileren van negatieve emoties, bijvoorbeeld door iemand uit te schelden. Een vierde en laatste categorie klachten kan worden samengevat onder de noemer seksisme en omvat situaties waarin de professionaliteit van vrouwen geëvalueerd wordt op basis van hun uiterlijk of dienstbaarheid, of waarbij de traditionele vrouwenrol als norm wordt gesteld wanneer vrouwen promotie maken. En net zoals het seksuele geweld, heeft ook het psychische geweld de neiging om zich te gaan nestelen in de werkrelatie van de betrokkenen.

Wat maakt geweld tot geweld?

Het gemeenschappelijke element bij de klachten is dat de mensen die zich gekwetst voelen en het gevoel hebben dat deze gekwetstheid hen door iemand werd aangedaan. De gebeurtenissen waarover ze klagen, roepen telkens zeer negatieve gevoelens op bij de klager.

Geweldpatronen

Behalve in het geval van fysiek geweld, zijn klachten over geweld op het werk doorgaans niet gebaseerd op één geïsoleerd incident. Meestal is er sprake van een gewelddadige relatie, waarin een aantal patronen - al dan niet gecombineerd - herkend kunnen worden.

Zo zijn er bijvoorbeeld werksituaties met een constante aanwezigheid van gelijkaardig geweld. Het geweld neemt er niet toe of af, maar blijft constant op een zelfde niveau aanwezig. In sommige van deze werksituaties maakt het geweld deel uit van de cultuur van de dienst. Mensen die dit ongewenst vinden, doorbreken de norm van de dienst. Er zijn ook diensten waarin één persoon, de 'notoire lastigvaller', min of meer constant onge-wenst gedrag stelt. Wanneer verschillende collega's door dezelfde persoon worden lastiggevallen, nemen de slachtoffers de incidenten meestal minder persoonlijk op, precies omdat ze niet alleen zijn.

Een tweede patroon komt voor wanneer er sprake is van escalerend geweld: het geweld wordt ernstiger en/of frequenter naarmate de tijd verstrijkt. Meestal gaat een toenemende frequentie gepaard met een toenemende ernst.

Het derde patroon is de de-escalatie. Hiervan is sprake wanneer de frequentie en/of de ernst van het geweld afneemt, zonder dat het geweld helemaal verdwijnt. De aanleiding voor de-escalatie is altijd een geweldbestrijdende strategie van het slachtoffer. Een voorbeeld: een lastigvaller krijgt van de lastiggevallen vrouw te horen dat zij een nieuwe vriend heeft. Hij reageert hierop door geen seksuele gunsten meer te vragen, maar hij blijft seksueel getinte opmerkingen maken.

Wanneer de ene vorm van geweld plaats maakt voor een andere vorm, is er sprake van een transformatie van het geweld. Transformaties vertrekken in regel van een vorm van seksueel geweld, waarop het slachtoffer reageert. Daarop houdt de seksuele intimidatie op, om onmiddellijk plaats te maken voor één of andere vorm van psychisch geweld. Een typevoorbeeld is dat van de vrouw die, nadat zij haar chef heeft afgewezen, op alle vlakken gedwars-boomd wordt in de uitvoer van haar werk en in de uitbouw van haar carrière.

Bij een transformatie van de gewelddadige relatie zet een geweldpleger zijn gewelddadig gedrag voort op een ander slachtoffer, of krijgt een slachtoffer van geweld te maken met een nieuwe dader. Bijvoorbeeld een chef die op een klacht over een geval van seksuele intimidatie reageerde door zelf ongewenst seksueel intiem te worden. Zijn rechtvaardiging: "Als hij dat mag, mag ik dat ook".

Strategieën

Mensen die geweld meemaken hanteren allerlei strategieën om het geweld te doen stoppen of om met de gewelddadige situatie om te gaan. De volgorde waarin slachtoffers de verschillende strategieën hanteren is niet toevallig; in de meeste gevallen proberen ze eerst het probleem alleen op te lossen. Het gaat hier om persoonlij-ke strategieën, gericht op het zich handhaven in de gewelddadige situatie (overlevingsstrategieën), of op beëindiging van het geweld (persoonlijke interventies). Wanneer de persoonlijke strategieën onvoldoende resultaat opleveren, gaan de slachtof-fers hulp zoeken. Doorgaans doen ze eerst een beroep op mensen uit de eigen privé- of werkomgeving (netwerkgerichte strategieën). Pas daarna doen ze een beroep op mensen die uit hoofde van hun functie bijstand verlenen aan geweldslachtoffers: vertrouwenspersonen, artsen, politie, vakbondsafgevaardigden, ... (hulpverleningsgerichte strategieën). In wat volgt komen deze verschillende strategieën aan bod.

De reactie zit vaak alleen tussen de oren

Persoonlijke strategieën omvatten alles wat het slachtof-fer zelf doet tegen het geweld, zonder een beroep te doen op hulp van buitenaf. Ze worden gebruikt alvorens een beroep te doen op externe hulp, maar ze kunnen ook een belangrijke rol blijven spelen wanneer er reeds externe hulp gemobili-seerd werd. Uit de verhalen van de betrokkenen komen twee grote groepen persoonlijke strategieën naar voren: de overlevingsstrategieën en de persoonlijke interventies.

Bij de overlevingsstrategieën is er geen zicht-bare actie. Ze spelen zich af ‘tussen de oren’ van het slachtoffer en vallen uiteen in twee groepen: ontsnappingsstrategieën en controlestrategieën. Via de mentale ontsnappingsstrategieën proberen de slachtoffers de geweldsituatie te ontkennen, te negeren of te ontkrach-ten. Dit door zich te concentreren op een andere situatie (‘straks ga ik naar huis’, ‘binnenkort is mijn contract afgelopen’) waardoor ze als het ware niet meer mentaal aanwezig zijn in de geweldsituatie, of door in de ontkenning te gaan. Het slachtoffer ontkent dan de bedoelingen van de lastigvaller (‘hij bedoelt het goed', ‘hij heeft een wat onhandige manier om waardering te uiten’). Of hij ontkent de ernst van het geweld door het gebeurde te minimaliseren (‘het stoort me, maar het is niet erg genoeg om over te klagen’), te ridiculiseren (de geweldpleger onschadelijk maken door hem belachelijk te vinden) of door het geweld te normaliseren (‘iedereen maakt dat mee en ik ben de enige die het erg vindt’). De ontkenningen doen zich voor ongeacht de objectieve ernst van de situatie: zelfs een poging tot verkrachting wordt hanteerbaar door het gebeurde in het belachelijke te trekken.

In tegenstelling tot wat bij de ontsnappingsstrategieën het geval is, erkent het slachtoffer bij de mentale controlestrategieën wel degelijk het ervaren geweld. Hij/zij probeert het gebeurde op een rationele manier te verwerken. Vaak zoeken slachtoffers in hun eigen houding of gedrag een verklaring voor het geweld. Zo kunnen ze geloven dat een aanpassing van het betrokken gedrag of de betrokken houding toekomstig geweld zal voorkomen. Soms wordt het geweld ook verklaard vanuit de kenmerken van de geweldpleger en probeert men begrip op te brengen. De agressie wordt verklaard vanuit de persoonlijke problemen van de lastigvaller. Anderen gaan over tot een ongezouten beschuldiging van de dader: ze bestempelen hem gewoon als een smeerlap.

Escalatie dreigt

Overlevingsstrategieën zorgen er voor dat slachtoffers zich kunnen handhaven in een gewelddadige situatie. Ze zorgen op zich niet voor een beëindiging van de gewelddadige situatie. Integendeel. Er is er zelfs een verhoogd risico op escalatie van het geweld. Er zijn nog verschillende andere risico’s verbonden aan het gebruik van overlevingsstrategieën. Zo wordt het ingrijpen in de geweldsituatie bemoeilijkt omdat de 'wachttijd' de geloofwaardigheid van het slachtoffer kan aantasten in de ogen van de buitenwereld. Een ander belangrijk risico is dat de emoties niet noodzakelijk de mentale oefening volgen. Rationeel ontkent het slachtoffer (de ernst van) het geweld, maar de negatieve emotionele reactie op het geweld blijft behouden. Door het geweld weg te redeneren is er geen kapstok om de negatieve emoties aan op te hangen. Dit kan als gevolg hebben dat het slachtoffer zichzelf de emotionele reactie verwijt. Overlevingsstrategieën gaan dus gepaard met een groot risico op zelfbeschuldiging: het slachtoffer bestraft zichzelf voor het geweld en voor de negatieve emoties die het gevolg ervan zijn en is niet in staat zichzelf te ondersteunen. Een laatste risico van sommige overlevingsstrategieën is dat ze, in combinatie met hulpzoekend gedrag, als een boemerang naar het slachtoffer kunnen terugkomen. Het is immers niet eenvoudig voor de hulp-ver-strekker om de ontkenning van de ernst van de gewelds-ituatie, het begrip van het slachtoffer voor de dader of de zelfbeschuldigingen van het slachtoffer te herkennen als een strategie om te overleven in een geweldda-dige situatie. Wanneer de hulpverlener dergelijke definities van de situatie overneemt, zal het slachtof-fer hierin een bevestiging vinden voor de zelfdestructieve gedachten en gevoelens.

Smoezen voor de lieve vrede

Overlevingsstrategieën zijn de facto 'dadervriendelijk'. Persoonlijke interventies daarentegen kennen meer variatie in de houding t.o.v. de dader. Ze kunnen gerangschikt worden op een continuüm gaande van inschikkelijke over assertieve tot agressieve strategieën.

Bij de inschikkelijke strategieën wil het slachtoffer de dader sparen. Bij de meest inschikkelijke strategieën past het slachtoffer zich aan: gevoelige situaties worden uit de weg gegaan of hij beantwoordt aan bepaalde verwachtingen van de lastigvaller om escalatie of transformatie van het geweld te vermijden. Smoezen, leugens en listen vormen een iets gewaagdere inschikkelijke strategie om aan risicosituaties te ontsnappen. Een voorbeeld hiervan is de inschakeling van een gefingeerd lief om een lastigvaller op afstand te houden. Vluchten gaat nog een stapje verder en wordt voornamelijk in acute risicosituaties gebruikt. Deze strategie kan zich tegen het slacht-offer keren omdat de afwezigheid onwettig is. Het definitief verlaten van de werksituatie kan een weloverwogen beslissing zijn. Een laatste type van inschikkelijke strategieën komt al dicht in de buurt van de assertieve strategieën, maar houdt de deur op een kier voor de dader. Het slachtoffer geeft een eigen grens aan, maar is duidelijk niet overtuigd van zijn recht op eigen grenzen. Hij verdedigt of verontschuldigt zich of legt verantwoording af voor het trekken van een grens. Bijvoorbeeld: een hiërarchische overste smeken om een einde te maken aan een ongewenste seksuele relatie, omdat het onhoudbaar wordt. Maar een smeekbede bevestigt de macht van de lastigvaller en wordt zelden verhoord. Wat ook gebeurt is dat het slachtoffer voorwaardelijke grenzen trekt: hij denkt 'neen' te zeggen, maar de lastigval-ler heeft een 'ja maar' gehoord en gaat door met lastigvallen. Het probleem met deze strategieën is dat ze zo dicht bij de assertieve strategieën liggen dat het slachtoffer niet begrijpt waarom ze niet werken.

Handen af

De assertieve strategieën kenmerken zich door een ondubbelzinnig signaal van het slachtoffer aan de dader: het slachtoffer maakt zijn grenzen duidelijk en laat niet toe dat ze overschre-den worden. Het slachtoffer raakt hierbij echter niet aan de integriteit van de dader door niet in de tegenaanval te gaan. Assertieve strategieën kunnen verbaal of niet-verbaal zijn. Lichaamstaal (zich afwenden, ruimtelijke afstand creëren,...) maakt duidelijk dat de benadering ongewenst is.

De agressieve strategieën geven, net zoals de assertieve strategieën, duidelijk de grenzen van het slachtoffer aan. Hier is echter wel sprake van een tegenaanval op de integriteit van de dader. Het zijn vormen van geweld, met dien verstande dat het hier om een defensieve reactie gaat.

Een evaluatie van de persoonlijke interventies wijst uit dat geen enkele strategie een absolute garantie biedt op succes. Toch zijn bepaalde strategieën sterker aan te bevelen dan andere. Net zoals de overlevingsstrategieën zijn ook de inschikkelijke strategieën niet erg geschikt om geweld te beëindigen, terwijl de prijs die men ervoor betaalt erg hoog is: men levert hoe dan ook in en loopt het risico zichzelf op de duur te bekijken door de ogen van de dader. Assertieve strategieën hebben een goede kans op slagen bij een eerste incident. Nadien verliezen zij geleidelijk hun geloofwaardigheid. Agressieve strategieën zijn effectiever dan overlevings- of inschikkelijke strategieën, maar houden altijd een risico in. Zij kunnen helpen wanneer het slachtoffer erin slaagt de dader te imponeren. Daar staat tegenover dat de agressieve strategie deelname aan de machtsstrijd van de dader impliceert en bijgevolg het risico op escalatie van het geweld met zich meebrengt.

Steun in de rug

Slachtoffers van geweld gaan na verloop van tijd vaak steun zoeken bij andere mensen om met het geweld of de gevolgen ervan om te gaan. Bij netwerkgerichte strategieën doen slachtoffers een beroep op mensen met wie ze al een relatie hebben in hun werk- of thuisomgeving. Een belangrijke reden om steun te zoeken zit in de behoefte aan ondersteuning van de eigen definitie van de gewelddadige situatie. Van leidinggevenden wordt bovendien een beschermend optreden verwacht, van collega’s solidariteit en van het thuismilieu overleg over mogelijke strategieën om het geweld te beëindigen. Slachtoffers verwachten meestal niet dat de thuisomgeving in hun plaats zal optreden. Ze hopen wel ruimte te krijgen om een eigen afweging te maken van de voor- en nadelen van de verschillende strategieën en om steun te krijgen voor de strategieën waar ze zelf voor kiezen.

Slachtoffers die in hun eigen netwerk goed worden opgevangen zijn daar vol lof over: de steun van de omgeving maakt dat ze hun zelfvertrouwen kunnen bewaren of herstellen. Soms echter wordt de reactie van de omgeving problematisch. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van secundaire victimisering: een brede waaier van vormen van onbegrip, ongeloof of afkeuring die betrekking kunnen hebben op het geweld zelf, op de manier waarop het slachtoffer op het geweld reageerde of op de gevolgen van het geweld. Deze reacties komen niet enkel in netwerkrelaties, maar evenzeer in professionele hulpverleningsrelaties voor. Omdat slachtoffers die reacties heel erg vinden, worden ze secundaire victimise-ring genoemd: het slachtoffer voelt zich voor een tweede maal slachtoffer.

Miskend slachtofferschap is een andere mogelijke problematische reactie van het netwerk: de omgeving merkt dan wel de psychische en fysieke klachten op die het gevolg zijn van het geweld, maar kan of wil deze klachten niet toeschrijven aan de geweldervaring.

Wat ook soms voorvalt, is dat het netwerk van het slachtoffer samen met het slachtoffer in een escalatie van negatieve emoties terechtkomt. Dit kan het gevolg zijn van het feit dat de geweldpleger ook de omgeving van het slachtoffer bedreigt of dat de netwerkleden zich bedreigd voelen door wat het slachtoffer is overkomen. In ieder geval verliezen slachtoffers bij medeslachtofferschap de steun van het netwerk.

Een laatste problematische reactie is het plaatsvervangende optreden van het netwerk. So-m-mi-ge partners of ouders schieten - als een prins op het witte paard - zelf in actie wanneer ze horen wat het slachtoffer heeft meegemaakt. Ze stap-pen op de geweldpleger af, roepen professionele hulp in of zetten het slachtof-fer onder druk om stappen te zetten. Er zijn slachtoffers die de actiebereidheid van hun partner waarderen, maar er zijn er ook die vrezen dat zij er zelf door zullen benadeeld worden (bv. door ontslag) - een vrees die niet altijd onterecht is.

Professionele hulp

Slachtoffers van geweld kunnen zich ook richten tot mensen die zich vanuit hun functie met geweldproblemen bezighouden. Deze professionele hulp is een complexe aangelegenheid. Geweld op het werk raakt immers heel wat sferen: bedrijfsinterne organisatie, gezond-heidszorg, arbeidsrecht en strafrecht. Slachtoffers van geweld op het werk kunnen dus met verschillende soorten hulpverleners in contact komen.

In de eerste plaats zijn er de vertrouwenspersonen. De vertrouwenspersoon werkt niet als een rechter op grond van geleverde bewijzen, maar als een hulpverlener, uitgaande van de definitie van de situatie van het slachtoffer. Zijn takenpakket ziet er als volgt uit: het slachtoffer opvangen en ondersteunen, overleggen over de te volgen strategieën, bemiddelen en voor de opvolging zorgen bij het beëindigen van het geweld, voor opvang zorgen bij de gevolgen van het geweld en het slachtoffer naar andere instanties doorverwijzen.

Behalve op de vertrouwenspersoon doen de slachtoffers van geweld op het werk nog een beroep op een hele waaier van andere hulpverleningsgerichte strategieën. Sommige slachtoffers richten zich hierbij vooral op hun werkomstandigheden, anderen willen hun werksituatie verlaten en richten zich op het bekomen van een vervangingsinkomen, nog anderen zoeken vooral hulp voor de gevolgen van het geweld of streven naar sanctionering van de dader. Geweld op het werk raakt immers veel belangenterreinen van het slachtoffer: werk, inkomen, relaties, gezondheid, rechtsgevoel. Het zou ons, binnen het bestek van deze bijdrage, te ver leiden om op elk van deze hulpmogelijkheden in te zoomen. We verwijzen hier liever naar het onderzoeksrapport (Bruynooghe R., Opdebeeck S., Monten C., Verhaeghen L (1995). Geweld, ongewenste intimiteiten en pesterijen op het werk: een beschrijving van klachten en van strategieën om er mee om te gaan. Brussel: Federale Voorlichtingsdienst.), waar de hulp bij geweld op het werk beschreven en geëvalueerd wordt, zoals hij wordt voorzien door bedrijfexterne diensten, specifiek gericht op geweld op het werk, en door de gezondheidszorg, de arbeidsinspectie, de vakbonden, de VDAB, het OCMW, de (arbeids)rechtbank, advocaten en politie of rijkswacht.

Creatief zijn

Geweld op het werk wordt als een ernstige stressor ervaren door diegenen die er het slachtoffer van worden. De omgeving heeft het vaak moeilijk om de ernst van de situatie te begrijpen, of om het slachtoffer te kunnen volgen. Slachtoffers van geweld op het werk worden vaak niet geloofd, ze worden medeverantwoordelijk gesteld, krijgen het verwijt dat ze anders hadden moeten reageren of dat ze te lichtgeraakt zijn. Slachtoffers ervaren dergelijke reactie als een nieuwe slachtofferervaring, een nieuwe stressor, die zorgt voor een escalatie van negatieve emoties.

Gelukkig zijn mensen die geweld op het werk meemaken over het algemeen nogal creatief in het bedenken van allerlei strategieën, zowel ter bestrijding van het geweld als om zich te kunnen handhaven zolang de gewelddadige situatie voortduurt. Slachtoffers slagen er soms zelf in om vrij snel accuraat te reageren. Wanneer het geweld wat langer aanhoudt, zijn de meeste slachtoffers geneigd een beroep te doen op hun omgeving of op professionele hulpverleners. Ze hebben er zeer veel baat bij indien diegene op wie ze een beroep doen hun verhaal gelooft en accepteert, naar hen luistert en met hen op zoek gaat naar een geschikte manier om het probleem op te lossen. Het is hierbij zeer belangrijk om het laatste woord te geven aan het slachtoffer.

 

Focus

 
© PREVENT vzw