Portret van de jonge werknemer De Europese Week 2006 van het Europees Agentschap voor Veiligheid en Gezondheid op het Werk wil de preventiecultuur bij de jonge werknemer bevorderen. Cijfers over jongeren en arbeidsongevallen tonen immers aan dat jongeren aanzienlijk meer het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval dan oudere leeftijdsgroepen. Prevent heeft in opdracht van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg een statusrapport opgesteld over de jonge werknemers in België en onderzocht daarin de volgende kwesties: wat is de arbeidssituatie van jongeren? Met welke risico’s worden zij geconfronteerd? Hoe zit het met het onderwerp ‘veiligheid’ in de scholen? Bronnen
De voornaamste bronnen voor het cijfermateriaal zijn:
- de Enquête Arbeidskrachten (EAK)/Labour Force Study (LFS) van het NIS (Nationaal Instituut voor Statistiek) en Eurostat (Statistical Office of the European Communities);
- de Europese Statistieken over Arbeidsongevallen (ESAW) van Eurostat;
- de European Survey on Working Conditions (ESWC) van de Europese Stichting tot Verbetering van de Levens- en Arbeidsomstandigheden (Eurofound);
- de Werkbaarheidsmonitor (WBM) van de SERV (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen).
Verder werd ook een beroep gedaan op gegevens van het Fonds voor Arbeidsongevallen (FAO), het Fonds voor de Beroepsziekten (FBZ), Preventie & Interim (P&I), Securex en het Steunpunt Verkeersveiligheid. In bijlage zijn de beschrijvingen van de verschillende bronnen opgenomen.
Contextuele kenmerken
In tegenstelling tot de gemiddelde Belgische beroepsbevolking is het aantal jonge werknemers (15-24 jaar) de afgelopen 2 decennia gedaald. In 2005 waren er nog ongeveer 336.000 jongeren tewerkgesteld. Dit komt overeen met een activiteitsgraad van 26,6%, wat bijna 10% lager is dan de Europese activiteitsgraad (EU-25) van deze groep (36,3%).
Jonge werknemers zijn het meest tewerkgesteld in de sectoren ‘Groot- en kleinhandel’, gevolgd door ‘Industrie’ en ‘Gezondheidszorg’. Het relatief aandeel van jongeren is het grootst in de sectoren ‘Hotels en restaurants’, ‘Bouwnijverheid’ en ‘Groot- en kleinhandel’. De meest voorkomende beroepsactiviteiten zijn ‘Dienstverlenend en verkooppersoneel’ en ‘Ambachtsberoepen’. Ook het relatief aandeel van jongeren is het grootst in deze beroepen.
Bij de jonge werknemers is het verschil tussen het aantal mannen en vrouwen minder uitgesproken dan in de gemiddelde Belgische beroepsbevolking. In 2005 waren er ongeveer 177.000 jonge mannen aan het werk, ten opzichte van 159.000 jonge vrouwen. De activiteitsgraad vertoont ook niet dezelfde trend als deze van de gemiddelde beroepsbevolking: de afgelopen 20 jaar is de activiteitsgraad van zowel jonge mannen als vrouwen gedaald (met resp. 9,5 en 4,2%) (bij de gemiddelde beroepsbevolking is de mannelijke activiteitsgraad met 2,2% gedaald, terwijl die bij vrouwen met 17,7% is gestegen).
Van het totaal aantal Belgische zelfstandigen is slechts 2,3% een jongere; dit is een daling van 2,4% ten opzichte van 1983.
Jonge werknemers zijn beduidend vaker aan het werk met flexibele arbeidscontracten dan de gemiddelde beroepsbevolking. In 2005 werkte bijna 30% met een tijdelijk arbeidscontract, wat een verdubbeling inhoudt ten opzichte van 1983. Meer dan twee derde van de jongeren werkt met een flexibel arbeidscontract omdat ze geen permanente job kunnen vinden. Hetzelfde verhaal treffen we aan bij deeltijds/voltijds werk: ook daar werken meer jongeren deeltijds, en voor een groot aantal onder hen is dat ongewild. De afgelopen 20 jaar is het aantal werknemers dat deeltijds werkt fors gestegen, en dit zowel in België als de rest van Europa (EU-25). In 2005 werkte ongeveer een kwart van de jongeren deeltijds; dit is een verdrievoudiging ten opzichte van 1983. 40% van deze jonge werknemers wil eigenlijk niet werken op dergelijke deeltijdse basis.
Ten slotte blijken jonge werknemers procentueel gezien het meest in ploegen (23,8% ten opzichte van 18,6%) en volgens onregelmatige patronen te werken.
Risico’s op het werk
Bij de fysieke belasting vormen repetitieve bewegingen het grootste risico voor de jonge werknemers (voor 50,2% van hen). Daarna volgen het werken in moeilijke of vermoeiende houdingen en het dragen van zware lasten. Bovendien nemen deze risico’s toe voor deze leeftijdsgroep terwijl ze voor de gemiddelde beroepsbevolking ongeveer gelijk blijven.
Bij de fysische, chemische en biologische agentia scoort lawaai het hoogst. 37,5% van de jongeren is minstens 25% van de tijd aan lawaai blootgesteld. Op afstand volgen trillingen, werken in hoge temperaturen en het inademen van dampen, rook, stof of gevaarlijke stoffen zoals chemische producten, besmettelijke stoffen, enz.
Bij de psychische risico’s spant het hoge werkritme de kroon: zo’n 60% van de jongeren haalt dit risico aan. Jongeren krijgen makkelijk hulp van collega’s maar hebben weinig vrijheid in het kiezen van de volgorde van de taken, van het werkrooster of van het moment van pauze.
Ze werken ook meer aan een hoog ritme en hebben minder taakvariatie en autonomie in vergelijking met hun oudere collega’s. Anderzijds blijken ze minder werkdruk en minder problematische emotionele belasting door hun job te ervaren.
De afstemming tussen hun opleiding en job, blijkt bij -25-jarigen minder goed te zijn dan bij oudere werknemers; hun opleiding blijkt ook vaker te hoog voor de job die ze uitoefenen.
Gevolgen van de blootstelling aan risico’s
Jonge werknemers (15-24 jaar) hebben tweemaal zoveel kans op een ongeval met meer dan 3 dagen werkverlet dan andere werknemers. In de categorie 15-19 jaar is dat zelfs vier maal meer. Ongeveer 1 jonge werknemer op 20 krijgt op jaarbasis te maken met een ongeval met meer dan 3 dagen werkverlet. Hiermee maken jongeren ongeveer 20 % uit van het totaal aantal arbeidongevallen. Voor de dodelijke arbeidsongevallen gaat het om iets meer dan 10 % van het totaal (6 in 2003).
De sectoren die het hoogste aantal arbeidsongevallen opeisen bij de jongeren zijn de ‘Industrie’, ‘Bouwnijverheid’ en ‘Groot- en kleinhandel’.
Bij de uitzendkrachten onder de 18 jaar komen veel minder ongevallen voor dan zes jaar geleden. De verklaring daarvan ligt onder andere bij de vele sensibiliseringsacties die op touw werden gezet voor jobstudenten (met als stuwende motor P&I) en bij het naleven van de reglementering inzake verboden werkzaamheden voor jobstudenten. Hieruit blijkt dat gerichte en volgehouden acties effectief vruchten afwerpen.
Het aandeel van jongeren in de beroepsziekten is verwaarloosbaar. Aangezien beroepsziekten vaak het resultaat zijn van een langdurige blootstelling, is dit geen verrassend gegeven. De meeste erkenningen van beroepsziekten bij jongeren vallen in de categorie van de beroepshuidziekten.
Ziekteverzuim, veroorzaakt door ziekte of door arbeidsongeval, komt vaker voor bij jongeren maar ze zijn minder lang afwezig dan oudere collega’s.
De meest gerapporteerde gezondheidsklachten zijn hoofdpijn, nek- of schouderpijn, en rugpijn. De helft van de jongeren tussen 15 en 24 jaar vindt dat hun werk een invloed heeft op hun algemene gezondheid. De gezondheidsklachten die bij bijna de helft van de jongeren voorkomen zijn hoofdpijn, nek- of schouderpijn en rugpijn. Velen maken ook gewag van alle soorten slaapproblemen.
Over het algemeen zijn de jonge werknemers tevreden met hun job.
Op vlak van verkeersveiligheid zien we dat jongere bestuurders duidelijk een verhoogd risico hebben ten opzichte van oudere bestuurders. De combinatie van leeftijdsgerelateerde factoren en ervaringsgerelateerde factoren kan een verklaring bieden voor de verhoogde ongevalbetrokkenheid van jonge bestuurders.
Onderwijs
Eindtermen zijn te bereiken minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingengroep. Leerplannen (‘raamplannen’ voor het buitengewoon onderwijs) geven een overzicht van leerstof die in de klas moet worden behandeld. Basis van de leerplannen zijn de eindtermen of de ontwikkelingsdoelen. Alle Vlaamse scholen zijn verplicht een door de overheid goedgekeurd leerplan te volgen.
De eindtermen bevatten al dan niet expliciete verwijzingen naar veiligheid en gezondheid. Het gaat hier om algemene eindtermen; de ontwikkelingen van specifieke eindtermen voor het industrieel en het niet-industrieel technisch en beroepsonderwijs zijn op dit moment nog niet voltooid. Het hangt dus af van het leerplan en van de individuele leerkracht (of van de werkgroep binnen de scholen) in hoeverre aandacht besteed wordt aan veiligheid en gezondheid in werkgerelateerde situaties. Vakoverschrijdende eindtermen bieden al een uitweg voor aanpak van veiligheid en gezondheid buiten de vakken om. Deze thema’s kunnen langs die weg een plaats vinden in het onderwijspakket.
Daarnaast is ook de dagdagelijkse realiteit op school een scharnierpunt. Een leerling leert immers ook van de wijze waarop de school met veiligheid en gezondheid omgaat, bv. van de wijze waarop evacuatieoefeningen voorbereid en uitgevoerd worden, van de aanwezige pictogrammen, van de etikettering van chemische agentia en in het algemeen van de wijze waarop laboratoria en werkplaatsen georganiseerd zijn.
Campagne
Uit het rapport blijkt dat het Europees Agentschap voor Veiligheid en Gezondheid op het Werk niet zonder reden jongeren in het middelpunt van haar jaarlijkse campagne zet in 2006. Een gedegen, veiligheidsgerichte voorbereiding tijdens hun opleiding samen met goede begeleiding op hun werkplek kunnen helpen om hun carrière veilig te laten verlopen.
|